Achtergrond informatie


De fosfaatwet is behoorlijk complex en lastig uit te leggen. Hieronder een korte uitleg. 


Achtergrond informatie

Op 1 januari 2018 is de fosfaatwet met bijbehorend fosfaatrechtenstelsel in werking getreden onder leiding van Carola Schouten,  de minister van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid. 
 
Met de fosfaatwet is de groei van de melkveehouderij gereguleerd om het mestoverschot terug te dringen. In mest zitten allerlei stoffen waaronder de mineralen fosfaat en stikstof. Dit zijn essentiële mineralen om planten te laten groeien, echter heeft een overschot aan fosfaat heeft een negatieve impact op het milieu. Mede hierom zijn er vanuit de EU eisen gesteld aan de hoeveelheden mest die melkveehouders per hectare in alle Europese lidstaten mogen aanwenden. Dit is 170 kg stikstof/hectare. 
 
Maar in Nederland is er een uitzondering (derogatie) op deze regel, waardoor Nederlandse melkveehouders  tot maar liefst 250 kg stikstof / hectare mogen aanwenden. Met uitzondering van de biologische melkveehouders, zij blijven bij de oorspronkelijke hoeveelheid van 170. 
Toen op 1 april 2015 het melkquotum kwam te vervallen gingen melkveehouders massaal meer koeien houden en melken. Dit resulteerde een overschrijding van het door de EU vastgestelde fosfaatplafond.


De EU dreigde de derogatie van Nederland af te pakken wanneer er geen maatregelen genomen zouden worden om dit terug te dringen binnen de norm. Want de derogatie maakt het immers mogelijk dat er meer mest op het land mag, wat tot een intensievere productie leidt. Dit zou voor de melkveehouders die gebruik maken van derogatie zeer ongunstig uitpakken.

Dus om dit te voorkomen is er een wet aangenomen welke een regulering van aan het aantal dieren van de melkveehouder stelt. Hiervoor is de peildatum 2 juli 2015 geweest, wat pas op de dag zelf bekend gemaakt is. Dus melkveehouders konden hier niet op anticiperen. Het aantal dieren dat op dat moment aanwezig waren op het bedrijf zijn het aantal ‘fosfaatrechten’ dat is toegekend aan melkveehouder.

Wat is het probleem?
Biologische melkveehouders zijn door het SKAL gecertificeerd en houden zich aan strengere milieu- en dierwelzijnseisen. Hierbij maken zij bijvoorbeeld geen gebruik van bestrijdingsmiddelen, mag er geen kunstmest gestrooid worden, hebben de dieren ruimere stallen en is weidegang verplicht. Maar een andere eis is dat ze geen gebruik mogen maken van derogatie en is 170 kg stikstof/ hectare het maximum is wat ze op hun land mogen aanwenden. 

Op basis hiervan kan gesteld worden dat een biologische melkveehouder nooit kan hebben bijgedragen aan het mestoverschot. Een biologische koe scheidt wel mest uit, maar een biologische melkveehouder kan vanwege de 170 kg stikstof/hectare minder koeien per hectare houden. Hierdoor kan er een goed werkend kringloopsysteem van mineralen blijven bestaan. 

Dus om de derogatie te behouden, welke alleen te benutten is door niet-biologische melkveehouders zijn ook de biologische melkveehouders door de fosfaatwet verbonden aan de fosfaatrechten.

Waarom oneerlijk voor een biologische boer?

De fosfaatwet heeft aan alle melkveehouders een regulering van het aantal dieren opgelegd middels fosfaatrechten. Maar deze pakt oneerlijk uit voor de biologische melkveehouder. Immers is de fosfaatwet ontstaan door een mestoverschot, waar de biologische melkveehouders geen enkele bijdrage aan leveren. Zij boeren met een kringloopsysteem en worden door de bio-regels beperkt in de toegestane mestproductie. Dus waar zij in hun bedrijfsfilosofie streven om zo goed mogelijk in balans met de natuur te boeren, worden zij afgerekend op de massaproductie van de intensieve melkveehouders.